Datum en tijd
Koreanen noteren de datum van groot naar klein, dus eerst het jaar, daarna de maand en aan het einde de dag. Voor het uitspreken van de getallen wordt de Sino-Koreaanse telling gebruikt.
Het woord voor jaar is hier dus 년, voor maand 월 en voor dag 일.
Maanden
De namen van de maanden zijn in het Koreaans eenvoudig te onthouden. Ze worden namelijk gewoon eerste, tweede, derde, enz. maand genoemd:- 일월 - januari
- 이월 - februari
- 삼월 - maart
- 사월 - april
- 오월 - mei
- 육월 - juni
- 칠월 - juli
- 팔월 - augustus
- 구월 - september
- 십월 - oktober
- 십일월 - november
- 십이월 - december
Dagen
In tegenstelling tot de maanden hebben de dagen wel hun eigen naam. Ze zijn 'vernoemd' naar de zon de maan en de vijf elementen water, vuur, hout, metaal en aarde. Deze elementen worden ook op kalenders met hanja (Chinese karakters) weergegeven. Deze zijn er tussen haakjes bijgezet.- 월요일 - maandag (月 - maan)
- 화요일 - dinsdag (火 - vuur)
- 수요일 - woensdag (水 - water)
- 목요일 - donderdag (木 - hout)
- 금요일 - vrijdag (金 - metaal)
- 토요일 - zaterdag (土 - aarde)
- 일요일 - zondag (日 - zon)
Klokkijken
Bij het klokkijken worden de Koreaanse telling en de Sino-Koreaanse telling door elkaar gebruikt. Voor de uren wordt de Koreaanse nummers gebruikt, voor de minuten, en ook de seconden, worden de Sino-Koreaanse nummers gebruikt. Het is niet gebruikelijk om in gesproken taal met een vier-en-twintig-uurs-klok te werken, in plaats daarvan wordt er gebruik gemaakt van 오전 (AM) en 오후 (PM).
De uitspraak voor de eerste vier uren wijkt iets af van de standaard telling. In plaats van 한나 시 (één uur) zegt met 한 시. 두 in plaats van 둘 en 세, 네 voor drie en vier. Elf en twaalf worden dan ook respectievelijk 열한 en 열두.
Het woord voor uur is dus 시 en het woord voor minuut is 분. Seconden worden 초 genoemd.
Om de halve uren weer te geven, wordt vaak gebruik gemaakt van de term 반.